Erica tegeltjespand
Een aantal jaren geleden stond het zogenoemde ‘tegeltjespand’ van Erica te verloederen. De woningbouwcorporaties Inter Pares en Wooncom waren van plan op de mooie plek van de villa, in het centrum van het dorp en bij de brug over de Verlengde Hoogeveensche Vaart, een robuust appartementencomplex voor senioren te gaan bouwen. Veel partijen in Erica en onder meer de Drentse afdeling van Heemschut en het Drents Landschap meenden dat het kleinschalige, veenkoloniale karakter van Erica door de plannen geweld aan zou worden gedaan en dat met het verdwijnen van het tegeltjespand het centrum een monumentaal gebouw zou gaan verliezen.
Overleg tussen de verschillende partijen en ook de gemeente Emmen leidde ertoe dat de volkshuisvesters en de gemeente op zoek zouden gaan naar een andere geschikte plaats voor het appartementencomplex. De invloedrijke verdedigers van het pand kregen het voor elkaar dat het tegeltjespand op de lijst van beschermde monumenten ging prijken. Daardoor was het voortbestaan verzekerd en wat belangrijker was: subsidies voor een restauratie van het zwaar verwaarloosde pand kwamen in zicht. Stichting DBF ging met de BIWO-formule een restauratieverkenning uitvoeren en heeft na positieve resultaten het pand in eigendom overgenomen met het doel om het voor nieuwe bedrijfsfuncties te restaureren en in te richten.
Erica is een jong dorp, ontstaan even na het midden van de negentiende eeuw toen de Verlengde Hoogeveensche Vaart was gegraven. Het was aanvankelijk een boerendorp; de boeren teelden op de venige grond voornamelijk boekweit. Maar ook de venen werden geëxploiteerd, onder meer door het te verwerken tot grof en fijn turfstrooisel. Na de verveningen is de streek rond Erica in cultuur gebracht tot belangrijke akker- en tuinbouwgebieden met uitgebreide kassencomplexen voor de teelt van groenten en bloemen. Het dorp telt thans ruim 3800 inwoners. De turfstrooiselfabriek aan de Griendtveenstraat en de vaart met Ericasluis zijn de belangrijkste sporen van de vroegere verveningen. De representatieve woning van een van de veenbazen neemt daaraan een markante plaats in.
De rijk gedecoreerde villa aan de Havenstraat 2 is in 1897 op het centrale kruispunt van vaart en weg gebouwd als woning voor de directeur van de NV Friesche Veen Maatschappij. Deze onderneming heeft veengebieden in de omgeving geëxploiteerd en exploiteerde tegelijkertijd haar eigen arbeiders. De directeur had een winkel aan huis, waar de werknemers verplicht waren hun dagelijkse levensbehoeften in te kopen. De ingang in de linker zijgevel was de toegang tot de winkel; voor opslag zat onder de winkel een flinke kelder en op het achtererf stond een houten schuur. Het voorname pand had van oorsprong dus ook een bedrijfsbestemming.
De villa heeft een brede, rechthoekige plattegrond, is gericht op de Havenstraat en het muurwerk met een brede plint is opgetrokken uit een grauwbruine baksteen. Het pand van een enkele maar wel hoge bouwlaag bezit een schilddak met blauw geglazuurde Friese gegolfde pannen met zinken pironnen op de hoeken. Aan de achterzijde heeft het pand over meer dan de breedte een lagere uitbouw met een plat dak. De extra breedte vormt de verbinding met de achter het pand gelegen grote houten schuur.
Het hoofdvolume is uitgedost in een rijke neorenaissance-stijl. Het is een middengangwoning met salons, elk verlicht door twee grote T-vensters, ter weerszijden van de ingang. De ingangspartij bestaat uit een diepe portiek die uitwendig met een rondboor met sluitsteen is gesloten. Een bovenlicht met balusters tussen glas en op een latei biedt extra bescherming in de portiek. De vloer van de portiek is een hardstenen stoep en de wanden zijn bekleed met tegels in overdadig decoratieve vormen; door kleurverschillen in de decors zijn plinten gevormd. Boven de ingangspartij is een traptopgevel uitgemetseld met een klein liggend venster in een sierlijk gesneden kozijn en een sieranker. De vensters worden met segmentbogen met sluitstenen ontlast en in de boogtrommels is metselmozaïek toegepast. Boven de ingangspartij en op de hoeken zijn hoog overhoekse en van decoraties voorziene consoles aangebracht die fraaie tegelfriezen met bloemmotieven flankeren. Deze tegels laten al vormen zien die op de Jugendstil lijken vooruit te lopen, terwijl de portiektegels nog de vormentaal van de neorenaissance laten zien.
De zijgevel aan de noordzijde is nagenoeg blind. Daar wilden de bewoners kennelijk geen inkijk. Helemaal achter in deze gevel staat achter een trapopgang de deur naar de voormalige winkel. In de zuidelijke gevel die naar de vaart is gericht loopt het tegelfries door, maar daar zijn andere representatieve aspecten die meer de aandacht vragen. Een flinke serre met stijl- en regelwerk op een gemetselde borstwering. Aan weerszijden van de serre heeft de woning ook nog twee vensters op het zuiden. Deze zijn, evenals die van de voorgevel, voorzien van lattenblinden, zogenoemde persiennes. Uit het dak is een hoge schoorsteen gemetseld en midden op het zijschild staat aan deze zijde een flinke kajuit met een deur en zijlichten. Met pilasters, wangen, kroonlijst en consoles met druppels is het een fraai staal van timmermansambacht.
Inwendig heeft het pand ondanks verwaarlozing en tussentijds vandalisme toch veel van zijn oorspronkelijke bekoring behouden. De salons en suite aan de zuidzijde hebben hun betimmeringen rond vensters en deuren, de suitedeuren – bekroond met tegelfriezen- en zelfs de inwendige vensterluiken nog. Ook de trapopgang met fraaie trappaal en gesneden leuning is nog aanwezig. Al deze historische rijkdommen zijn met liefde gerestaureerd. Andere ruimten waren al gewijzigd en zijn voor de nieuwe functies ingericht. De schuur achter het pand was in desolate staat en is geheel vernieuwd in de oorspronkelijke hoofdvorm maar wel met moderne lichtsleuven en achter de openslaande deuren grote ramen. Zo is een pseudo-historische aanpak vermeden.
Bureau voor Architectonische Vormgeving Siemer uit Assen heeft de zorgvuldige restauratie en de aanpassingen voor het gebruik als kantoor ontworpen en begeleid. Bouwbedrijf Bekman uit Erica heeft het werk uitgevoerd. De restauratie kon plaatsvinden dankzij financiële middelen van De Europese Gemeenschap, het samenwerkingsverband Noord-Nederland, de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, de provincie Drenthe en de gemeente Emmen.